Boekrecensie: The smell of the place. Bouwen aan een gezonde organisatiecultuur (Ballieux en van de Wiel)

Organisatieontwikkeling moet een integraal onderdeel zijn van de manier waarop organisaties worden aangestuurd

Recensent: Bert Peene, freelance docent en journalist voor o.a. Managementboek Magazine, het VO-magazine en de nieuwsbrief van de VO-academie

Een boek schrijven over hoe je een gezonde organisatiecultuur bouwt zonder duidelijk te maken wat dat is: dat mag je best bijzonder noemen. Toch valt dat volgens Merlijn Ballieux en Guido van der Wiel, de beide auteurs, wel mee. Iedereen weet namelijk meteen waar je het over hebt. Vraag het ouders die met hun kinderen, halverwege groep acht, meerdere open dagen bezoeken: de ene school voelt anders dan de andere; in elke school heerst een andere sfeer.Waar dat in zit, is niet altijd goed duidelijk te maken, maar het gevoel is onmiskenbaar.

Een gezonde organisatiecultuur heeft veel, zo niet alles, te maken met een gevoel van veiligheid: fysieke, maar vooral sociale veiligheid. De mens is van nature een sociaal wezen en functioneert het best in een omgeving waarin hij zich verbonden voelt met anderen; collega’s bijvoorbeeld. Leidinggevenden spelen een belangrijke rol in het tot stand brengen van zulke verbindingen door bij te dragen aan een omgeving waarin mensen betrokken zijn en verantwoordelijkheid nemen. ‘Leidinggevenden zijn contextmakers’ stellen Saskia Lips en Inge Mink (2023) in hun gelijknamige boek, dat de veelzeggende ondertitel kreeg: ‘Hoe je samen dingen gedaan krijgt zonder op gedrag te sturen.’ Dat is precies de boodschap die Ballieux en Van der Wiel met hun boek willen overbrengen.

Een gezonde organisatiecultuur is niet alleen goed voor het welzijn van medewerkers, maar ook – en wat Ballieux en Van der Wiel betreft: vooral – voor de totstandkoming van een ontwikkelgerichte cultuur. Leidinggevenden spelen daarin een belangrijke rol. De vraag die in hun boek centraal staat luidt dan ook: hoe kun je als leidinggevende bijdragen aan een ontwikkelgerichte cultuur? Het bouwen aan zo’n cultuur, schrijven ze, is iets waar je via al je keuzes, via directe en indirecte sturing, doorlopend aan werkt.

Dat lijkt misschien een open deur – echt nieuw is die boodschap immers niet – maar de praktijk blijkt toch vaak anders. Leidinggevenden zitten vaak klem omdat de waan van de dag het telkens wint van de sturing die ze eigenlijk zouden willen toepassen. Tachtig procent van hun agenda zit vol met vergaderingen; de rest van hun tijd gaat op aan incidenten, terwijl organisatieontwikkeling juist een integraal onderdeel behoort te zijn van de manier waarop organisaties worden aangestuurd. Maar dat is het dus vaak niet. Dat gevoel is direct verantwoordelijk voor de groeiende beweging van wat wel ‘quiet quitting’ wordt genoemd: docenten die zich terugtrekken in hun lokaal, hun lessen ‘draaien’ en meteen na hun laatste lesuur de schooldeur achter zich dichttrekken. Nul betrokkenheid op wat er verder in de school gebeurt.

Voor een verklaring wordt vaak naar leidinggevenden gewezen – slecht leiderschap – of naar de mentaliteit van docenten en dat zorgt voor onnodige veel eed. Zulke snelle conclusies zijn volgens Ballieux en Van der Wiel, net als overigens voor Lips en Mink, te gemakkelijk en bovendien onjuist. Als je de omgeving – in dit geval dus de school – juist weet te krijgen, krijg je meestal ook het gewenste gedrag. Context creëert gedrag en dat wordt nogal eens vergeten.

Ballieux en Van der Wiel hebben het in dit verband over indirecte sturing: het beïnvloeden van de werkomgeving die uiteindelijk los van de aanwezigheid van een leidinggevende mensen in de organisatie verleidt om het juiste te doen. Ze maken daarbij onderscheid tussen indirecte sturing via de fysieke en via de sociale omgeving. Ze bespreken voorbeelden als: lunchen in je eentje (in je lokaal) of met elkaar, wel of geen geprivilegieerde parkeerplaatsen, een goed koffieapparaat en vergaderen aan een ronde tafel (mensen lijken dan meer behoefte te hebben om erbij te horen). Voorbeelden van indirecte sturing via de sociale omgeving zijn: selecteren op karakter, het belang van verhalen en anekdotes en principesturing.

Dat context gedrag bepaalt, geloof ik zeker, maar de voorbeelden die Ballieux en Van der Wiel noemen, vind ik eerlijk gezegd niet echt sterk. Isolde Kolkhuis Tanke doet dat in haar boek ‘In de leerstand. Hoe voortdurend blijven leren op het werk vanzelfsprekend wordt’ (2023) beter, herkenbaarder ook, al was het alleen al door de voorbeelden uit het onderwijs die ze aandraagt. Wie dus daadwerkelijk op zoek is naar manieren om organisatieontwikkeling en individuele ontwikkeling op een zinvolle manier met elkaar te verbinden, mag dit boek zeker niet overslaan.

Hoewel het boek van Ballieux en Van der Wiel sterk leunt op de overtuiging dat context gedrag bepaalt, kun je het tegelijkertijd zien als een pleidooi voor sturing. Sturing is in hun ogen zelfs essentieel. Hun boek zou je dan ook kunnen zien als een aanmoediging om eerder meer dan minder te sturen, maar wel op een ontwikkelgerichte manier.

Recensent: Carin Gabriels, afdelingsleider Pieter Zeeman Lyceum, Zierikzee

Soms heb je boeken die het meer van de verpakking dan van de inhoud moeten hebben. Dit is er zo een. De verpakking is leuk met de fragmenten, anekdotes en de gekleurde kaders, de ruime opzet voor tekst en de mooie kaft.

De inhoud komt, bij herhaling in meerdere vormen, op de volgende aandachtspunten neer. Door deze te volgen, ‘stuur’ je als leider op een gezonde organisatiecultuur, die uiteraard nooit af is.

Tot zover, succes!

Recensent: Kristin Renooij-Stroes, directeur VSO de Stormvogel, Hoorn

Rapportcijfer: 7,5

Sinds ik The smell of the place heb gelezen, loop ik niet meer achteloos langs een volle afwasmachine in de personeelskamer. Ik ruim hem uit. Niet omdat dat in mijn taakomschrijving staat, maar omdat we het samen doen — een waarde die we onlangs bewust aan onze kernwaarden op school hebben toegevoegd. Want als je wilt dat ‘the smell of the place’ is dat we het samen doen, dan moet je daarin als leidinggevende op allerlei manieren het goede voorbeeld geven.

Ballieux en Van de Wiel maken organisatiecultuur tastbaar met een verrassend eenvoudig maar krachtig beeld: cultuur is wat je ruikt zodra je een school binnenloopt. Het zit in gedrag, in gesprekken, in wat we normaal vinden en vooral in wat we laten liggen. Het boek leest makkelijk, zonder jargon, en zet je voortdurend aan tot reflectie op je eigen handelen als schoolleider.

De kracht zit in de praktische voorbeelden. Geen grote veranderprogramma’s, maar herkenbare situaties die je direct kunt vertalen om jouw schoolorganisatie en de mensen die er werken, optimaal te laten ontwikkelen. Juist daardoor is het boek niet alleen prettig om te lezen, maar ook direct toepasbaar in de dagelijkse praktijk. Het boek sluit af met een waarheid als een koe: “een gewenste smell of the place ontwikkel je niet van de ene op de andere dag, maar tegelijkertijd is het wel belangrijk dat je er dag in dag uit mee bezig bent.”

Voel je je een nummer, of voel je je gezien?

Recensent: Wouter Vellema, hoofd bedrijfsvoering/controller Schoonhovens College, Krimpenerwaard

Rapportcijfer: 8,5

Wat maakt een organisatie uniek? Een werkomgeving waarin mensen zich optimaal kunnen ontwikkelen en er binnen de organisatie tegelijkertijd goede prestaties worden geleverd.

Het gaat in dit boek met name over het geven van sturing en kent als opbouw verschillende perspectieven, in eerste instantie beschreven vanuit gedrag, de vertrekpunten voor gezonde sturing, met een verdieping in directe en indirecte sturing. In het laatste deel wordt concreet hoe ontwikkelgericht sturen kan worden ingericht en wordt de gewenste Smell of the place gecreëerd. Hier wordt duidelijk dat dit een breder perspectief biedt dan alleen cultuur.

Relevantie voor de onderwijssector

Het boek is een zeer lezenswaardige aanvulling op de diverse verandermanagementboeken voor het middenmanagement en hogere echelon. De geschetste inzichten passen met name op de strategische tafel alwaar de sleutel tot een succesvolle organisatie in de cultuur is gelegen. Krachtig zijn de vele beknopte praktijkvoorbeelden die ook zichtbaar toepasbaar zijn op het onderwijsveld. Waar loopt een team op vast en hoe kan je als teamleider de competenties van je teamleden zo constructief inzetten voor de schoolorganisatie? Uit diverse bronnen trakteren de schrijvers ons op citaten, die zeer goed toepasbaar zijn en de tekst ondersteunen. De QR-video’s van Ted Lasso bieden een mooie visuele ondersteuning bij het betreffende hoofdstuk.

Als beginnende hobbyfotograaf was het verrassend om de metafoor van de cameralenzen te lezen. De mentale ruimte van individuen en teams wordt beschreven aan de hand van het gebruik van deze verschillende lenzen. Kijk je bijvoorbeeld naar het grotere geheel (groothoeklens), van een afstand (telelens) of moet je juist verder inzoomen (microlens). Je als leider continu bewust zijn op welke manier je kan kijken en hier goed in kan differentiëren biedt een mooie invalkshoek. Kijken zorgt voor bewuste vertraging en laat ruimte tussen de stimulus en respons.

De quote in het begin van het boek “Voor je het weet, vult de waan van de dag de rest van de week”, blijft de drijfveer om de aanwijzingen in dit boek direct in de praktijk te willen brengen. Van een fix-oplossing (incidenteel) naar een solve-oplossing (structureel).

Echter, je zit zelden in de schaduw van de boom die je zelf plant. Cultuurwijzigingen kosten gewoonweg tijd, maar die wetenschap hoeft niet te verlammen. Dit boek zet aan tot actie.