Regeling Landelijke Veiligheidsmonitor (LVM) ter consultatie – wij ontvangen graag jouw input
Het ministerie van OCW heeft een online consultatieronde geopend over de voorgenomen ministeriële regeling ‘Landelijke Veiligheidsmonitor funderend onderwijs’ (LVM). Rondom deze LVM blijven fundamentele vraagstukken bestaan over de noodzaak en begrenzing van de gegevensverzameling en de waarborgen die daarbij nodig zijn. De VO-raad hoort daarom graag hoe schoolorganisaties hiertegen aankijken. Jouw input helpt ons bij het samenstellen van een reactie op de internetconsultatie richting OCW.
Met de Landelijke Veiligheidsmonitor wil het ministerie een landelijk beeld krijgen van de veiligheidsbeleving van leerlingen en personeel op scholen in het po en vo en trends zichtbaar maken die gebruikt kunnen worden voor beleidsontwikkeling. De tweejaarlijkse Landelijke Veiligheidsmonitor is voor het laatst in het schooljaar 2021-2022 uitgevoerd. De uitvoering van de LVM is sindsdien uitgesteld, omdat het afnemen van de monitor in overeenstemming moest worden gebracht met de vereisten van de AVG. Er is een wettelijke grondslag nodig om de benodigde persoonsgegevens te kunnen verwerken.
Met de ‘Wet borging gegevensverwerkingen funderend onderwijs’ wilde het ministerie vorig jaar deze grondslag creëren voor het uitvragen van (bijzondere) persoonsgegevens ten behoeve van de LVM. Halverwege 2025 ging deze wet in internetconsultatie; de VO-raad reageerde toen kritisch, omdat de wet een vergaande uitvraag van persoonsgegevens mogelijk maakt. Het ministerie heeft de wet toen op een aantal punten aangepast en legt de uitwerking ervan - in een regeling - opnieuw voor ter consultatie.
De regeling bevat afspraken over de manier waarop de landelijke veiligheidsmonitor wordt afgenomen, over de onderwerpen en achtergrondkenmerken die mogen worden uitgevraagd, over de gegevens die de minister aan scholen geeft en over de inhoud van het rapport dat de minister publiceert over de landelijke uitkomsten.
Meer informatie
Hieronder is uitgebreide informatie te vinden over de aangepaste regeling en de visie van de VO-raad (en PO-Raad) hierop. Wij verzoeken om deze informatie goed door te lezen vóór het sturen van een reactie.
1. Wat is veranderd ten opzichte van het eerdere wetsvoorstel?
In de regeling staat hoe de minister van OCW de LVM wil uitvoeren. De regeling gaat onder meer over de wijze waarop de LVM wordt afgenomen en de onderwerpen en achtergrondkenmerken waarnaar mag worden gevraagd.
Positief is dat de regeling meer duidelijkheid geeft over de rolverdeling tussen de minister en scholen bij de afname van de LVM. Ook is vastgelegd dat de minister scholen ondersteunt bij een veilige uitvoering, onder meer met hulpmiddelen voor de communicatie met leerlingen, ouders en medewerkers, passende ondersteuning vóór, tijdens en na de afname en het creëren van een veilige afnameomgeving.
Daarnaast is naar aanleiding van eerdere bezwaren overleg met vertegenwoordigers van leerlingen en ouders, onderwijspersoneel en onderwijsinstellingen opgenomen in de regeling. Dit overleg gaat onder meer over de inhoud van de vragenlijsten, de landelijke rapportage en maatregelen om privacyrisico’s te beperken.
Hiermee vervalt een deel van onze eerdere bezwaren. Tegelijkertijd blijven fundamentele zorgen bestaan. De LVM voorziet in het systematisch verzamelen en combineren van zeer privacygevoelige persoonsgegevens en informatie over zeer gevoelige ervaringen van leerlingen en onderwijspersoneel.
De regeling moet daarom voldoende waarborgen bevatten om te verzekeren dat alleen gegevens worden verzameld die aantoonbaar noodzakelijk en proportioneel zijn en waarvoor geen minder ingrijpend alternatief beschikbaar is.
2. Welke fundamentele vragen blijven bestaan?
Rechtstreekse uitvraag van bijzondere persoonsgegevens
De regeling maakt rechtstreekse uitvraag mogelijk van bijzondere en andere gevoelige achtergrondkenmerken, zoals etniciteit, religieuze overtuiging, seksuele gerichtheid, genderidentiteit en ondersteuningsbehoefte. Deze uitvraag brengt meerdere zeer persoonlijke gegevens bijeen. Dit vergroot de kans op indirecte herleidbaarheid en de mogelijke gevolgen van misbruik, ongeoorloofde toegang of een datalek.
Dat dergelijke gegevens nuttig kunnen zijn voor trendanalyses, groepsvergelijkingen of beleidsontwikkeling, vormt op zichzelf onvoldoende rechtvaardiging voor de uitvraag. Per onderzoeksvraag en per achtergrondkenmerk moet concreet worden onderbouwd welk doel met de uitvraag wordt gediend, waarom het betreffende gegeven daarvoor noodzakelijk is en waarom dit doel niet met minder privacygevoelige gegevens kan worden bereikt.
Pedagogische zorgvuldigheid
Ook de wijze waarop leerlingen over gevoelige ervaringen en persoonlijke kenmerken worden bevraagd, vraagt om grote zorgvuldigheid. Zeker bij jonge leerlingen is er een wezenlijk verschil tussen het bespreken van verschillen en diversiteit in de onderwijspraktijk en het individueel laten registreren tot welke categorieën een leerling zichzelf rekent.
Daarom is naast een privacyrechtelijke beoordeling ook een afzonderlijke pedagogische afweging per doelgroep nodig. Daarbij moet onder meer aandacht zijn voor leeftijdsgeschiktheid, begrijpelijke informatie, passende antwoordopties zoals ‘wil ik niet zeggen’ en ‘weet ik niet’ en ondersteuning vóór, tijdens en na de afname.
3. Hoe kijken wij tegen deze regeling aan?
De regeling bevat belangrijke verbeteringen, maar borgt naar het oordeel van de raden nog onvoldoende dat de verzameling van privacygevoelige gegevens noodzakelijk, proportioneel en voldoende begrensd is en dat pedagogische risico’s zorgvuldig worden meegewogen en zoveel mogelijk worden beperkt.
Als de directe uitvraag van achtergrondkenmerken uit bijlage 2 van de regeling wordt toegestaan, achten de raden een sterkere voorafgaande toets essentieel. Per onderzoeksvraag moet beoordeeld en aantoonbaar worden gemaakt welke gegevens en achtergrondkenmerken daadwerkelijk nodig zijn, of minder ingrijpende alternatieven beschikbaar zijn, welke privacy- en pedagogische risico’s de uitvraag met zich meebrengt en hoe deze risico’s worden geminimaliseerd.
Deze beoordeling hoort niet uitsluitend bij de uitvoerders van de LVM te liggen. De raden zijn daarom positief over het in de regeling opgenomen overleg met vertegenwoordigers van leerlingen en ouders, onderwijspersoneel en onderwijsinstellingen.
Om ervoor te zorgen dat dit overleg daadwerkelijk bij kan dragen aan een zorgvuldige afweging tussen het belang van gegevensverzameling voor evaluatie en verbetering van het landelijke beleid en de bescherming van leerlingen en medewerkers, achten de raden het van belang dat:
- het overleg wordt vormgegeven als een formeel ingestelde commissie met een duidelijke adviesrol;
- deze commissie breed en representatief is samengesteld, inclusief vertegenwoordiging van specifieke groepen die door de LVM in het bijzonder kunnen worden geraakt.
Om de opzet van de LVM zorgvuldig en in samenhang te kunnen beoordelen, moet de commissie tijdig beschikken over de onderzoeksopzet, de vragenlijsten per doelgroep, de DPIA en andere relevante risicoanalyses en de voorgenomen hulpmiddelen voor scholen. Daarnaast moet de commissie per onderzoeksvraag beschikken over concrete informatie over:
- welke bestaande en historische informatie al beschikbaar is en waarom aanvullende gegevensverzameling nodig is;
- welke gegevens en achtergrondkenmerken worden uitgevraagd, en waarom deze noodzakelijk en proportioneel zijn voor de ontwikkeling, uitvoering of evaluatie van concrete interventies of beleidsbeslissingen;
- welke minder ingrijpende alternatieven onderzocht zijn en waarom deze niet volstaan;
- welke privacy- en pedagogische risico’s vastgesteld zijn, waaronder risico’s voor kwetsbare groepen;
- welke maatregelen worden genomen om deze risico’s te beperken;
- hoe de vraagstelling, gegevensverwerking en rapportage worden vormgegeven om emotionele belasting, herleidbaarheid en stigmatisering zoveel mogelijk te beperken.
De beoordeling door de commissie moet voorafgaand aan iedere afnameronde plaatsvinden, ook wanneer de vragenlijst niet wordt gewijzigd. Daarmee kan telkens opnieuw worden beoordeeld of de uitvraag, gelet op de onderzoeksvragen, beschikbare informatie en actuele risico’s, nog steeds gerechtvaardigd is.
Voorts achten de raden het van belang in de regeling vast te leggen dat openbaar wordt gemaakt welke aandachtspunten en adviezen uit de commissie naar voren zijn gekomen en hoe deze in de uiteindelijke opzet van de LVM zijn verwerkt. Wanneer van een advies wordt afgeweken, moet inzichtelijk worden gemaakt waarom. Dit versterkt de transparantie en kan bijdragen aan het draagvlak voor de LVM.
Deze waarborgen zijn in de voorgenomen regeling en toelichting nog onvoldoende geborgd. De raden pleiten daarom voor een concretere verankering hiervan en nemen dit mee in hun reactie op de internetconsultatie.
Geef je reactie door
Wij horen als VO-raad graag:
- hoe jij aankijkt tegen de directe uitvraag van gevoelige achtergrondkenmerken;
- welke voorwaarden daarvoor volgens jou nodig zijn;
- hoe de toetsing het beste kan worden ingericht;
- welke privacy- en pedagogische waarborgen nodig zijn;
- of je nog andere aandachtspunten hebt.
De opbrengst van deze raadpleging betrekken we bij onze reactie op de internetconsultatie.
Je kunt je gedachten en input per mail aan ons doorgeven. Ook bij vragen kun je contact opnemen.
In verband met de sluitingstermijn van de consultatieronde ontvangen we graag uiterlijk medio september jouw input.
Wil je zelf reageren op de voorgestelde regeling? Dat kan tot en met 30 september 2026 via internetconsultatie.nl.
