Generieke norm voor overhead kan onbedoelde effecten hebben
Een generieke norm voor overheadkosten in het onderwijs, zonder eenduidig meetkader kan leiden tot onbedoelde prikkels. Dat blijkt uit een door de Tweede Kamer gevraagd onderzoek naar de verschillen in definities en meetmethoden van overhead in het funderend onderwijs dat 5 december verscheen.

De Tweede Kamer wil meer inzicht in hoe publieke middelen doelmatiger kunnen worden besteed, de verantwoording eenduidiger wordt en de controlerende taak beter kan worden ingevuld. Het onderzoek keek naar omvang, definitie en inrichting van overhead in het primair- en voortgezet onderwijs.
De onderzoekers definiëren overhead als ‘sturende en ondersteunende activiteiten die niet het directe lesgeven vormen maar dit mogelijk maken’. De cruciale grens ligt binnen het onderwijsondersteunend personeel: een deel draagt direct bij aan het primaire proces (bijvoorbeeld onderwijsassistenten en leerlingbegeleiding) en behoort daarom niet automatisch tot overhead; een ander deel is overwegend overhead (bijvoorbeeld administratie, beleid en control). De informatie die op dit moment vanuit verschillende bronnen beschikbaar is, geeft wisselende beelden. Om de informatie beter bruikbaar te maken, is een landelijke definitie en een meetkader nodig.
Normering zet beste besteding buitenspel
De VO-raad en PO-Raad zijn geen voorstanders van normering in de bekostiging, onder meer omdat het tot forse verhoging van de verantwoordingslast leidt. Wel stimuleren wij de sector om met elkaar het gesprek te voeren over doelmatige bedrijfsvoering. Goede gegevens en heldere definities zijn daarbij van belang. Normering slaat dat gesprek eerder dood omdat niet de beste besteding van middelen daarbij centraal staat maar het beperken en besparen. Besparingen die uiteindelijk ook negatieve gevolgen hebben voor leerlingen, zoals het ook door onderzoekers benoemde verschuiven van taken naar leraren. Dat draagt niet bij aan beter onderwijs in de klas.
Bandbreedte en pas-toe-of-leg-uit
De onderzoekers hebben gekeken naar een realistische en werkbare norm voor overhead. In het regeerprogramma van kabinet-Schoof is gesproken over bestedingsnormen (bijvoorbeeld een verhouding van 80% voor het primaire proces en 20% voor overhead). De onderzoekers bevelen het hanteren van bandbreedten aan in plaats van één plafond en een pas-toe-of-leg-uit-aanpak. De onderzoekers concluderen dat een generieke norm zonder eenduidig meetkader kan leiden tot onbedoelde prikkels. Het verschuiven van taken naar leraren kan dan bijvoorbeeld minder berekende overhead opleveren dan het verbeteren van de doelmatigheid van het werk dat kan.