Tielen stuurt aangepast wetsvoorstel gerichte bekostiging naar Tweede Kamer

Staatssecretaris Tielen heeft woensdag 1 juli 2026 het aangepaste wetsvoorstel voor gerichte bekostiging in het primair en voortgezet onderwijs naar de Tweede Kamer gestuurd. De vorige versie van het wetsvoorstel kreeg kritiek van de Raad van State die nu deels is verwerkt.

Er is brede overeenstemming in de politiek en in de sector dat het aantal subsidies in het funderend onderwijs minder moet. Tegelijkertijd wil de overheid graag grip houden op de besteding van extra investeringen. Er is dus in de Kamer grote terughoudendheid om nieuwe middelen, zoals de investeringen in basisvaardigheden, zomaar toe te voegen aan de lumpsum. Daarom is er nu een voorstel dat het midden houdt tussen subsidie en lumpsum: de gerichte bekostiging.

Wat staat er in het wetsvoorstel?

In het kort regelt het wetsvoorstel gerichte bekostiging de mogelijkheid om vanuit OCW meer te kunnen sturen op de doelmatigheid van de besteding van middelen waarbij tijdelijk, voor maximaal 5 jaar (eventueel te verlengen met nog eens maximaal 5 jaar) aanvullende bekostiging wordt verstrekt. De gerichte bekostiging kan worden ingezet voor:

  1. het bevorderen van noodzakelijke en duurzame verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs (basisvaardigheden, kansengelijkheid, bekwaamheid en beschikbaarheid personeel) en
  2. spoedeisende gevallen waarbij sprake is van een dringend maatschappelijk belang.

Het meer sturen op doelmatigheid uit zich dan door bijzondere verplichtingen te koppelen aan het beschikbaar stellen van het extra budget. Deze bijzondere verplichtingen kunnen betrekking hebben op:

Met nadruk wordt gesteld dat de bijzondere verplichtingen geen betrekking hebben op de keuze van de te hanteren leermethoden en leermiddelen en de te behalen leerresultaten.

Het effect van de gerichte bekostiging

Het voordeel van gerichte bekostiging kan zijn dat scholen zekerheid hebben dat de middelen niet tijdelijk zijn maar structureel beschikbaar blijven en dat de overheid gedurende vijf jaar kan bepalen voor welk deel deze middelen worden ingezet. Scholen kunnen in dat geval mensen in vaste dienst nemen en aan duurzame verbetering van het onderwijs werken. Voorwaarde is dan wel dat de middelen niet terugvorderbaar zijn en na de periode van vijf jaar aan de lumpsum worden toegevoegd. In dat licht geeft het huidige wetsvoorstel te weinig zekerheden. Het is ook onduidelijk of de gerichte bekostiging de administratieve last ten opzichte van een reguliere subsidie verlaagt.

De VO-raad en PO-Raad bepleiten dat gerichte bekostiging gebruikt wordt om nieuwe geldstromen tijdelijk beter te kunnen monitoren alvorens ze in de basisbekostiging komen. In het aangepaste voorstel blijft het dus onzeker of middelen ook daadwerkelijk structureel bij de scholen terecht komen. In de praktijk betekent dit dat scholen vanuit legitieme financiële overwegingen, terughoudend zullen blijven met duurzame investeringen. Dit wordt nog versterkt door het feit dat terugvordering achteraf, wanneer niet aan de eisen is voldaan, boven de markt blijft hangen.

Basisvaardigheden komen eerst in aanmerking

De eerste middelen die in aanmerking komen voor verdeling via het instrument gerichte bekostiging, zijn de middelen Basisvaardigheden. Als het wetsvoorstel volgens de planning van het ministerie wordt ingevoerd, zal dat per 1 januari 2028 zijn. Omdat het wetsvoorstel al vertraagd was, worden de middelen Basisvaardigheden voor 2027 verdeeld via het instrument aanvullende bekostiging. Na de zomer zal meer bekend worden of en hoe schoolorganisaties zich over de inzet van deze middelen moeten verantwoorden.